HOME | NIEUWS | CONTACT | LINKS  
 logo acdvn

Australian Cattle Dog Vereniging Nederland

logo acdvn     
Willon Webdesign   © ACDVN 2015
     
BESTUUR

ACD

GEZONDHEID AGENDA

DOWNLOADS

Raad van Beheer

Facebook

Gezondheid


DNA-afstammingscontrole

DNA afstammingscontrole

Als je veel moeite en middelen stopt in het testen van fokdieren en er vervolgens transparantie mee wil geven naar fokkers en kopers dan moet wel onomstotelijk vaststaan dat de pups daadwerkelijk afkomstig zijn van de genoemde fokcombinatie. Het wordt namelijk heel aantrekkelijk om pups van mindere ouders op te waarderen en ze van betere “ouders” te voorzien. Dit zou het gehele beleid ondermijnen.

DNA-afstammingscontrole is dus noodzakelijk bij uitvoering.

De ingangsdatum van de verplichte DNA-afname en -afstammingscontrole is 1 juni 2014.
Dit betekent dat bij alle dekkingen op of na 1 juni 2014 de verplichting geldt.

De meest voorkomende vragen en antwoorden staan op de pagina:
Veelgestelde vragen DNA-afname en -afstammingsonderzoek (website RvB).
Staat uw vraag er niet bij? Stuurt u dan een mail met uw vraag naar ggw@raadvanbeheer.nl

back to top

Cerebellar Abiotrophy

Wat is Cerebellar Abiotrophy?
Het cerebellum is het gedeelte van de hersenen wat de controle en coördinatie van de beweging van de hond reguleert. In deze aandoening, volgroeien de cellen in het cerebellum voor de geboorte van de hond, maar verslechteren vroegtijdig na de geboorte wat klinische tekenen geeft van slechte coördinatie gecombineerd met gebrek aan balans. De Prukinje cellen in het cerebellum zijn hierbij primair betrokken; cellen in andere delen van de hersenen kunnen ook aangetast zijn.

Hoe wordt Cerebellar Abiotrophy vererfd?
Een autosomale recessieve schaal van erfelijkheid is bevestigd, of is sterk vermoed voor de onder genoemde lijst, met uitzondering van de x-linked cerebellar ataxia in the Engelse Pointer, welke een x-linked schaal van vererving heeft.

Verschillende soorten van Cerebellar Abiotrophy:

  • Neonatal cerebellar abiotrophy (erg zeldzaam);
    De aangetaste cellen beginnen te degenereren voor de geboorte, zo dat de klinische tekenen van disfunctie al bij de geboorte aanwezig zijn, of zodra de puppen beginnen te lopen.
  • Postnatal cerebellar abiotrophy;
    Cellen in het cerebellum zijn normaal bij de geboorte, maar gaan degenereren op variabele tijd daarna.
  • Cerebellar en extrapyramidal nuclear abiotrophy;
    Cellen in andere delen van de hersenen zullen ook aangetast zijn/worden. Bij de Australian Kelpie is bekend dat het om de Postnatal cerebellar abiotrophy gaat.

Wat houdt Cerebellar Abiotrophy in voor u en uw hond?
Het cerebellum is het gedeelte van de hersenen wat de controle en coördinatie van de vrijwillige beweging reguleert. De klinische tekenen van een cerebellare disfunctie bij lijdende honden kan inhouden dat er een gebrek aan balans te zien is, een wijde stand van de poten (voeten staan ver uit elkaar), stijve of hoog stappende gang, ogenschijnlijk gebrek aan bewust zijn waar de voeten moeten staan (staan of lopen op de knoken van de voeten), en hoofd en lichaamsbevingen. Deze tekenen zullen snel of langzaam verslechteren (zie de lijst hierboven). Lijdende honden kunnen op een gegeven moment niet meer in staat zijn om trappen te lopen of te staan zonder hulp. Ze hebben een normale mentale alertheid. Als andere delen van de hersenen ook aangetast zijn, kan het zijn dat je ook gedragsveranderingen zult zien (gebrek aan zindelijkheid, agressie), verwardheid, blindheid, en aanvallen.

Hoe wordt Cerebellar Abiotrophy gediagnosticeerd?
Het is een zeldzame afwijking. De klinische tekenen wijzen op een cerebellare aandoening, zeker in een ras waarvan men weet dat het voorkomt. Uw dierenarts kan testen doen om uit te sluiten dat het om een evt. andere aandoening gaat die dezelfde tekenen kan geven.

Hoe wordt Cerebellar Abiotrophy behandeld?
Er is geen behandeling mogelijk voor deze aandoening. De honden herstellen niet van deze afwijking en meestal (afhankelijk van de mate van progressie van de zichtbare aantasting) wordt de beslissing genomen dat euthanasie de beste oplossing is.

Fokadvies
Lijdende honden, hun ouders (dragers van de aandoening), en nestgenoten (vermoedelijke dragers) zouden niet voor de fok ingezet moeten worden. Met x-linked cerbellar abiotrophy, zijn alleen de reuen lijders, en is de moeder de drager van de aandoening.

Autosomaal recessief
Lijder X Lijder geeft 100% Lijders
Lijder X Clear geeft 100% Dragers
Lijder X Drager geeft 50% Lijders, 50% Dragers
Drager X Drager geeft 25% Lijders, 50% Dragers, 25% Clear
Drager X Clear geeft 50% Dragers, 50% Clear

back to top

Cochleaire Doofheid

Doofheid komt in meerdere vormen voor en kan verschillende oorzaken hebben. Door een ontsteking kan er sprake zijn van een verstopping van de uitwendige gehoorgang of er treedt doofheid op als gevolg van ouderdom (bij honden ouder dan 12 jaar). Daarnaast bestaat er doofheid als gevolg van een erfelijk bepaalde afwijking, de zogenaamde congenitale doofheid of in zijn specifieke vorm ook wel cochleaire doofheid genoemd.

Cochleaire doofheid wordt veroorzaakt, doordat de zintuigcellen die de trillingen in het slakkenhuis moeten omzetten in zenuwimpulsen afsterven. De afsterving van deze zintuigcellen is een gevolg van een degeneratie van de bloedvaten die deze zintuigcellen van bloed, en de zich daarin bevindende noodzakelijke stoffen, moeten voorzien. En de degeneratie van de bloedvaten is vermoedelijk een gevolg van het niet aanwezig zijn van pigmentcellen in het middenoor. Tijdens de embryonale ontwikkeling van de hond spelen deze pigmentcellen een cruciale rol in de ontwikkeling van de gehoorfunctie van het oor. Zijn deze pigmentcellen niet aanwezig dan zullen de zintuigcellen, die niet voorzien worden van voldoende bloed, afsterven. Dit begint direct na de geboorte en is op een leeftijd van 5 ā 6 weken voltooid. Hierdoor is er geen mogelijkheid meer dat zenuwimpulsen worden gegeven aan de hersenen en vindt dus geen geluidswaarneming meer plaats.

Deze pigmentcellen worden onderdrukt bij honden met een witte kleur, die veroorzaakt wordt door de zogenaamde piebald en merle genen. De merle factor kennen we van rassen als de Schotse Herdershond en de Australian Shepherd. Hiervan is bekend, dat uit een paring van 2 merle honden,pups worden geboren, die allemaal doof zijn.

De aanwezigheid van het piebald gen zien we bij de Dalmatische Hond en de Bull Terriër. Ook binnen deze rassen komt cochleaire doofheid voor. Maar ook bij de Australian Cattle Dog, Argentijnse Dog, de Border Collie, de Boxer, de Engelse Setter, de Old English Sheepdog en de Shetland Sheepdog. Cochleaire doofheid kan eenzijdig en beiderzijds voorkomen. Een dove pup is meestal nog wel te herkennen, in tegenstelling tot een eenzijdig dove pup. Fokkers kunnen deze eenzijdig dove honden er meestal nog wel uithalen, maar voor een leek wordt dat moeilijk, omdat een dergelijke hond nog heel goed kan functioneren. Sedert een aantal jaren kan d.m.v. de BEAR-test worden vastgesteld of de hond wel of niet doof is.

Afhankelijk van de populatie en de omvang van de doofheid binnen de verschillende families in een populatie, worden door de verschillende rasverenigingen al dan niet eenzijdige dove honden van de fokkerij uitgesloten. Voor alle rassen geldt dat niet gefokt mag worden met beiderzijds dove honden.

BAER-test:
Bear is de Brainstem Auditory Evoked Response (hersenstam auditief opgewekte reactie)-test: testen van het gehoorzenuwstelsel. Middels deze test wordt op een leeftijd vanaf 6 weken vastgesteld of een hond doof is of niet. Om storing op de apparatuur door kauwspieren uit te sluiten krijgt de hond voor het onderzoek een klein roesje. Het onderzoek zelf is pijnloos. Bij deze test worden 3 elektroden onderhuids aangebracht en wordt een oordopje geplaatst in de uitwendige gehoorgang t.b.v. de geluidsproductie. Op een beeldscherm kan vervolgens worden gezien of bij het produceren van geluid hersenactiviteit wordt waargenomen of niet en daarmee staat vast of de hond aan één kant of aan beide kanten doof is. De BAER-test wordt door de Raad van Beheer en de FCI erkend. De resultaten van de test worden vastgelegd in een officieel onderzoeksrapport 'Cochleaire doofheid'.

back to top

Heupdysplasie

Heupdysplasie (HD) is een door erfelijke factoren en uitwendige invloeden bepaalde ontwikkelingsstoornis van de heupgewrichten. Sommige honden ondervinden hiervan ernstige hinder. Er zijn echter ook honden met meer of minder ernstige misvormingen van de heupgewrichten, die daarvan geen last lijken te hebben.

De beoordeling van het gangwerk van deze honden geeft onvoldoende informatie over de toestand van de heupgewrichten. Meer informatie hierover kan worden verkregen door het maken van röntgenfoto's van de heupgewrichten.

Conform de regels van de F.C.I. dient de hond voor het laten maken van HD-röntgenfoto's minimaal 12 maanden oud te zijn. Voor enkele grote rassen, die pas later volgroeid zijn, geldt een verplichte minimumleeftijd van 18 maanden.

HD-foto
Voor een goede beoordeling van de heupgewrichten is een röntgenfoto van de hond in rugligging nodig, waarbij de hond exact recht moet liggen. Ter wille van de betrouwbaarheid van de beoordeling worden er hoge eisen gesteld aan de kwaliteit en de documentatie (identificatie) van deze röntgenfoto.

Wanneer niet aan deze eisen is voldaan, krijgt de dierenarts die de röntgenfoto heeft gemaakt, daarvan bericht met een aantekening over hetgeen eraan mankeert en met een verzoek om een nieuwe opname te maken. Een dergelijk verzoek wordt direct na de beoordeling van de röntgenfoto verzonden en is dus uiterlijk twee weken na ontvangst van de foto bij de dierenarts.

Deze moet dan contact opnemen met de eigenaar van de hond om een afspraak te maken voor het maken van een nieuwe HD-foto. Het beoordelen van deze nieuwe foto wordt niet opnieuw in rekening gebracht.

Rapport-Heupdysplasie-Onderzoek
Op het Rapport-Heupdysplasie-Onderzoek treft u de definitieve beoordeling aan, de F.C.I.-beoordeling, en een aantal gegevens die een verklaring geven voor de definitieve beoordeling.

De aanduiding HD A betekent dat de hond röntgenologisch vrij is van heupdysplasie, wat echter niet betekent dat de hond geen "drager" van de afwijking kan zijn.

HD B (=overgangsvorm) betekent dat op de röntgenfoto's geringe veranderingen zijn gevonden, die weliswaar toegeschreven moeten worden aan heupdysplasie, maar waaraan in het kader van de fokkerij geen direkte betekenis kan worden toegekend.

De aanduiding HD C (=licht positief) of HD D (=positief) betekent dat bij de hond duidelijke veranderingen, passend in het ziektebeeld van HD zijn gevonden.

Wanneer de heupgewrichten ernstig misvormd zijn wordt dit aangegeven met HD E (=positief in optima forma).

F.C.I.-beoordeling
De F.C.I.-beoordeling is een weergave van de HD-beoordeling naar een internationaal geldende code, waardoor het mogelijk wordt de HD-uitslagen uit bij de F.C.I. aangesloten landen te vergelijken.

De beoordeling van onderdelen
Bij de beoordeling van HD-foto wordt gelet op de vorm van de heupkommen en de heupkoppen, de diepte van de heupkommen, de aansluiting van de heupkoppen in de heupkommen, en de aanwezigheid van botwoekeringen langs de randen van de heupgewrichten.

Informatie over de diepte van de heupkommen en de aansluiting van de koppen in de kommen wordt onder andere verkregen uit de zogenaamde "Norbergwaarde". De Norbergwaarden van linker en rechter heupgewricht worden bij elkaar opgeteld en geven samen de op het rapport vermelde "som Norbergwaarden".

Bij een normaal heupgewricht is de Norbergwaarde minstens 15, de som van de Norbergwaarden van beide heupen derhalve minstens 30. Honden met een te lage Norbergwaarde hebben dus ondiepe heupkommen en/of een slechte aansluiting van de gewrichtsdelen. Deze honden zullen dus een minder gunstige HD-beoordeling krijgen.

Een normale of zelfs hoge Norbergwaarde betekent echter niet zonder meer dat de betreffende hond goede heupgewrichten heeft. Een combinatie van diepe heupkommen en incongruentie van de gewrichtsspleet (een niet overal even brede gewrichtsspleet) of onvoldoende aansluiting van de gewrichtsdelen kan, zelfs bij een hoge Norbergwaarde, leiden tot een (licht)-HD-positief beoordeling.

Op het formulier wordt dit duidelijk gemaakt door het aankruizen van "onvoldoende" of "slechte" aansluiting. Ook wordt informatie over de diepte van de heupkommen verkregen door te beoordelen hoe het centrum van de heupkop ligt t.o.v. de bovenrand van de heupkom. Naast de Norbergwaarde, de diepte van de heupkommen en de aansluiting van de gewrichtsdelen, wordt de uitslag ook beīnvloed door de aanwezigheid van "bot-afwijkingen".

Er is een rechtstreekse koppeling tussen de ernst van de bot-afwijkingen en de uitslag: zeer lichte bot-afwijkingen (1) leiden tot de beoordeling HD B, lichte (2) bot-afwijkingen leiden tot de beoordeling HD C, en ernstige (3) bot-afwijkingen leiden tot de beoordeling HD D.

De aanduiding "vormveranderingen" betreft meestal een meer of minder duidelijke afvlakking van de voorste rand van de heupkom. De aanwezigheid hiervan wordt wel vermeld, maar heeft indien dit de enige bemerking is over het gewricht, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis voor de einduitslag.

De Norbergwaarde
Van beide heupkoppen (1) wordt het middelpunt bepaald en deze middelpunten worden verbonden door een lijn. In beide heupgewrichten wordt vanuit dit middelpunt een lijn langs de voorste rand van de heupkom (2) getrokken. De hoek (3) die beide lijnen in het middelpunt van de heupkop met elkaar maken, minus 90, geeft de Norbergwaarde van het betreffende heupgewricht. De Norbergwaarden van linker en rechter gewricht bij elkaar opgeteld geeft de "som Norbergwaarden", die op het rapport vermeld is.

HD-beoordeling
Alle gegevens samen bepalen de definitieve beoordeling, waarbij het ongunstigste onderdeel uiteindelijk de doorslag geeft. Een bepaalde HD-beoordeling kan bepaald zijn door uitsluitend de diepte van de heupkommen, door de aansluiting van de gewrichtsdelen, de aanwezigheid van botwoekeringen, of door een combinatie van twee of alle drie onderdelen, en dit is weer te herleiden uit de verschillende gegevens zoals die op het certificaat zijn vermeld.

Het herhalen van HD-onderzoek
Iedere eigenaar kan na verloop van minimaal 1 jaar opnieuw een HD-onderzoek laten verrichten. De uitslag, die daarbij tot stand komt, zal de eerder gegeven uitslag vanaf dat moment gaan vervangen.

Herhaling van onderzoek heeft in het algemeen slechts zin bij honden, welke op een leeftijd van 1 ā 1,5 jaar werden onderzocht, en waarbij een lichtpositieve uitslag op grond van een slechte aansluiting, met al dan niet een bijbehorende lage Norbergwaarde tot stand kwam, terwijl er geen botafwijkingen werden vastgesteld.

Uw hond en HD
Eigenaren van honden waarvan een officiële HD-foto is gemaakt vragen de dierenarts die de foto gemaakt heeft nogal eens naar zijn of haar mening over de toestand van de heupgewrichten. Wanneer de eerste indruk van de dierenarts milder is dan de uiteindelijke definitieve uitslag, kan dit aanleiding zijn tot teleurstelling bij de eigenaar van de hond.

Ook wanneer vrij duidelijke misvormingen worden gevonden betekent dat niet dat de hond er beslist last van moet krijgen. Het is dan wel verstandig erop toe te zien dat de hond niet te zwaar wordt en dat ook anderszins overmatige belasting van de heupgewrichten wordt vermeden. Dit is vanzelfsprekend wel afhankelijk van de eisen die aan de hond gesteld worden als huishond of als werkhond. In geval van twijfel kunt u dit met uw dierenarts bespreken.

HD en fokkerij
De HD-beoordeling geeft uitsluitend informatie over de toestand van de heupgewrichten van de individuele hond. Gegevens over de HD-beoordeling van ouders, nestgenoten en nakomelingen zullen bijdragen tot een nauwkeuriger indruk over de fokwaarde van de betreffende hond.

Het is daarom van belang dat de rasverenigingen over alle uitslagen kunnen beschikken en dat alle HD-foto's die gemaakt worden ook ter beoordeling aan de HD-commissie worden voorgelegd, ook indien door de dierenarts duidelijke afwijkingen aan de heupgewrichten worden gevonden.

Het is wenselijk uitsluitend met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen het kleinst is. Bij rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn en bij rassen waarin HD vaak voorkomt is dit helaas niet altijd mogelijk.

back to top

Progressieve Retina Atrofie

PRA of (erfelijke) Progressieve Retina Atrofie of degeneratie.

Groep van erfelijke oogafwijkingen die, ķf op jeugdige, ķf middelbare, ķf op latere leeftijd tot blindheid leiden.

De hond wordt geboren met een normaal netvlies. Pas op wat latere leeftijd (dit kan afhankelijk van het ras variëren van enkele weken tot enkele jaren) treedt er verval van zintuigweefsel op. Het gezichtsvermogen wordt minder. De omvangsafname (atrofie) van de retina (netvlies) is progressief: er komt steeds meer weefsel te vervallen tot de hond geheel blind is.

PRA is een afwijking, die slechts in recessieve vorm voorkomt. Dat betekent dat een hond drager kan zijn van het recessieve gen zonder dat er ziekteverschijnselen zijn. Pas als beide ouderdieren het recessieve gen aan een nakomeling doorgeven, is de betreffende hond lijder en zal de ziekte zich uiten.

Er zijn 2 vormen van PRA, nl. dagblindheid en nachtblindheid. De eerste vorm komt slechts zelden voor en PRA bij onze honden wordt derhalve meestal gezien in de vorm van nachtblindheid. Bij deze erfelijk bepaalde afwijking reageren de pupillen slechter dan normaal, ze blijven wijder open staan en vernauwen minder. Door de degeneratie van het netvlies, waardoor dit steeds dunner wordt en uiteindelijk vrijwel onzichtbaar, kunnen de staafjes en kegeltjes het licht niet meer opnemen. De hond wordt langzaam blind; de pupillen reageren bijna niet meer op lichtinval en blijven open staan.

PRA is voor de hond pijnloos, maar wel onaangenaam. Doordat de hond van nature meer gebruik maakt van zijn reuk en het geluid, en het zicht slechts een aanvulling is op zijn door de andere zintuigen verkregen informatie, kan hij redelijk leven als hij blind is, maar de eigenaar moet er wel rekening mee houden. Gezien het feit dat het hier een erfelijk bepaalde afwijking betreft, die zich reeds op vrij jonge leeftijd manifesteert, is het echter dringend noodzakelijk om maatregelen te nemen.

Er bestaat geen behandeling voor PRA. PRA ontwikkelt zich bij veel rassen pas na het derde of vierde levensjaar. Voor die tijd is er aan de hond niets te merken en bij het oogonderzoek ook niet te zien. Voor een aantal rassen, waaronder de Australian Cattle Dog, bestaat er nu een DNA-test, waardoor bij pups al is vast te stellen of de hond genetisch vrij is of dat er een kans is op dragerschap of lijderschap. De verwachting is dat deze ontwikkelingen de komende jaren zullen doorgaan, waardoor het voor vele rassen mogelijk zal zijn PRA m.b.v. DNA-technieken op te sporen.

Oogonderzoek:
Om het gehele oog goed te kunnen bekijken worden oogdruppels toegediend waardoor de pupil open gaat staan. De druppels werken na ongeveer 20 minuten, de pupil blijft daarna circa 4 uur wijd. De hond wordt in een verduisterde ruimte bekeken. Vķķr het onderzoek wordt het "rapport oogonderzoek" ingevuld en ondertekend door de eigenaar/houder, waarmee deze toestemming geeft om de uitslag door te geven aan de W.K. Hirschfeldstichting. De Stichting geeft de uitslag door aan de Rasvereniging als er een overeenkomst tussen deze twee partijen is. Ook wordt voor het onderzoek de identificatie (tatoeage of chip/transponder) van de hond gecontroleerd. Het oogonderzoek gebeurt zonder enige verdoving en is beslist niet pijnlijk. De uitslag is gelijk bekend en wordt op het "rapport oogonderzoek" vermeld.

De volgende uitslagen komen bij officiële oogonderzoeken voor:

  • Vrij:
    de hond vertoont zelf geen verschijnselen van de aangegeven erfelijke oogziekte. Let op, dit betekent niet dat de hond de afwijking niet kan doorgeven aan zijn nakomelingen. Hij kan een drager zijn. Ook is het niet uit te sluiten, dat het dier de afwijking later alsnog kan krijgen.
  • Voorlopig vrij:
    betekent dat de hond momenteel geen verschijnselen vertoont. De verklaring is slechts 1 jaar geldig. Als de ziekte zich na een bepaalde leeftijd nog niet heeft geopenbaard, is de hond vrij.
  • Voorlopig niet vrij:
    de hond vertoont geringe afwijkingen, doch het is nog niet zeker of de hond de ziekte ook werkelijk heeft. Voortschrijden van het proces moet dit bevestigen. Meestal wordt na een half jaar de hond opnieuw beoordeeld.
  • Niet vrij:
    de hond vertoont afwijkingen, die passen bij het ziektebeeld.

DNA TEST:
In Amerika is sinds mei 2002 een DNAtest ontwikkeld door Optigen om het gen te kunnen lokaliseren welke verantwoordelijk is voor het ontstaan van PRA bij de Australian Cattle Dog. Met deze test is het mogelijk om via DNA onderzoek te bepalen of een hond genetisch drager is van de erfelijke afwijking.

Tabel mogelijke resultaten van de OptiGen prcd test:

tabel

back to top

Spel

Spel